Vendelinus - GenkVendelinus is officieel van start gegaan in januari 2000. Het hoofddoel van Vendelinus is om een verenigingsleven aan te bieden aan de volwassen leden van de Cosmodrome.

U bent hier

Verslag Vergadering Vendelinus 1 mrt 2014

Wat weten we over kometen?
(Tony)

Komeet ISON werd ontdekt in 2012. Men verwachtte een “komeet van de eeuw”. De periheliumdoorgang gebeurde op 29 november 2013 op ca. een miljoen km van de zon. De geschatte diameter van de kern bedraagt 600 m. De komeet heeft deze passage niet overleefd. Na het perihelium was er een stofstroom zichtbaar die zich wat hergroepeerde. En vervolgens verdween. Op 18 december 2013 kon de HST ISON niet vinden (grensmagnitude 25).

Komeet ISON op verschillende datums gefotografeerd door Damian Peach

Wat weten we nu eigenlijk van kometen? Volgens Aristoteles (384-322 v.C.) zijn het meteorologische verschijnselen, want al het ondermaanse was veranderlijk. In 1577 verscheen een heldere komeet en Tycho Brahe (1546-1601) kon via parallaxmeting, in samenwerking met Thadeus Hagecius in Praag, aantonen dat de komeet verder van ons verwijderd was dan de maan.  Fred Whipple (1906-2004) beschreef kometen als “vuile sneeuwballen”, een conglomeraat van ijs, stof en rots.

We weten nu dat kometen een kleine kern bezitten. Bij nadering van de zon ontstaat een coma en een staart. Deze laatste bestaat uit twee delen: een stofstaart, soms gebogen en een rechte plasmastaart.

komeet Halley (ESA)

In 1986 naderde de ESA-satelliet Giotto komeet Halley tot op 596 km. De kern was zeer donker en had een afmeting van ongeveer 15x8x8 km. Het gesublimeerde ijs en stof werd via jets uitgestoten. Komeet Halley verliest bij elke periheliumpassage tussen de 50 en 100 ton aan massa.

Men deelt kometen in twee groepen in: de kortperiodieke kometen (afkomstig uit de Kuipergordel) en de langperiodieke kometen (ex-bewoners van de Oortwolk). In de protoplanetaire nevel rond de jonge zon moet sterke menging van materiaal plaatsgevonden hebben. Hoe anders is het te verklaren dat in kometen silicaten en calcium-aluminiuminclusies voorkomen. Deze worden gevormd bij temperaturen rond 1000 °C.

Kometen vertonen een grote geologische verscheidenheid. Zo zit het oppervlakte van komeet Wild 2 vol kraterachtige vormen, vermoedelijk verzakkingen als gevolg van het verdwijnen van vluchtig materiaal onder het oppervlak. Het oppervlak van komeet Tempel 1 is dan weer verrassend vlak. En komeet Hartley 2 heeft een pindavorm: hier verschillen de ontsnappende gassen naar gelang ze afkomstig zijn van welk uiteinde. Uit het smalle eind komt meer CO2 vrij dan uit het bredere eind.

Van links naar rechts: Wild 2, Tempel 1 en Hartley 2 (NASA)

Een volgend probleem betreft het waterijs. Normaal kristallijn ijs bezit een hexagonale structuur.  Polykristallijn ijs bestaat uit kleinere delen normaal ijs, telkens wat kris-kras door elkaar. En dan is er nog amorf ijs (vergelijk met glas) dat een chaotische structuur bezit . In de holtes hiertussen zitten vluchtige bestanddelen.

Bij zeer lage temperatuur, in de Kuipergordel en de Oortwolk, is ijs amorf. Wordt dit verwarmd als de komeet dichter bij de zon komt, dan krijgen we omzetting in kristallijn ijs, waarbij kristallisatiewarmte vrijkomt wat een explosieve ontgassing kan veroorzaken.

Dan zitten we nog met het probleem van uiteenvallen van kometen.

Komeet Linear

1                    Kometen kunnen uiteenvallen door gravitationele stress wanneer ze te dicht bij de zon (Kreutzkometen) of een reuzenplaneet komen (komeet SL-9 in 1993).

2                    Soms breekt een komeet in stukken ver van de zon. De kan gebeuren door een toename van de aswenteling als gevolg van de jetwerking van uitgestoten gassen.

Over de inwendige structuur van een komeet weten we haast niets. Zou men kunnen weten met radartomografie. Radiogolven met grote golflengte dringen doorheen de komeet en moeten dan wel aan de andere kant opgevangen worden. ESA’s Rosettamissie gaat dit testen op de komeet Churyumov-Gerasimenko. Een lander gaat neerdalen op de kern terwijl het ruimtetuig zich aan de andere kant van de komeet gaat posten. Hou deze zaak vanaf oktober 2014 in de gaten!!

 

Het grote debat van 26 april 1920 over de grootte van het universum
(Edy)

Edy onderhield ons in verband met de presentatie die hij gaat geven op 17 maart 2014 om 14 uur in het Pesthuys,Vijfkoppen 1, Maastricht.

Giordano Bruno (1548-1600) meende dat de kosmos oneindig groot was en o.a. hierom kwam hij op de brandstapel terecht. Galilleo (1564-1642) bleef met zijn voeten op de grond en met zijn ogen achter de kijker. Hij kreeg ruzie met de kerk omdat hij, net als Copernicus (1473-1243), de zon in het midden van het universum plaatste.

Immanuel Kant (1724-1804) vroeg zich in 1755 af of de neveltjes aan de hemel geen sterrenstelsels konden zijn (Allgemeine Naturgeschichte und Theorie des Himmels). Die kleine neveltjes aan de hemel tussen de sterren waren en bleven een fascinatie voor astronomen. Waren het sterren in wording of iets heel anders? Behoorden ze tot de Melkweg of lagen ze erbuiten? Bij het Grote Debat op 26 april 1920 dacht astronoom Curtis (1872-1942) dat het andere melkwegstelsels waren. Zijn collega Shapley (1885-1972) was van mening dat ze tot onze Melkweg behoorden en dat deze alles omvatte.

Dit en nog veel meer verneemt u op 17 maart eerstkomend in Maastricht. Reservatie gewenst. Zie ook vorig verslag voor de webpagina van het Pesthuys.

 

Waterijs op Mercurius
(Tony)

Mercurius draait in 88 dagen rond de zon. De rotatie-as staat praktisch loodrecht op het baanvlak. Laat 19de en begin 20ste eeuw merkten Schiaparelli en Antoniadi steeds dezelfde albedodetails op de planeet op. Men dacht dan ook dat Mercurius zich in een gebonden rotatie bevond (zie ook onze maan).

In 1964 ontdekte men dat de rotatieperiode slechts 59 dagen duurde (radarwaarnemingen met de 305 m radiotelescoop van Arecibo in Puerto Rico). De planeet bevindt zich in een zogenaamde 3:2 resonantie: ze draait driemaal rond haar as in twee omlopen rond de zon. Enkele jaren later vond men met de 70 m Goldstone radiotelescoop heldere radarreflecties nabij de polen van de planeet. Waterijs? Metaal? Iets onbekend?

Goldstone (NASA)

In 1973 werd Mariner 10 naar Mercurius gestuurd. Het tuig voerde drie scheervluchten bij Mercurius uit: maart 1974, september 1974 en maart 1975. Het ruimtetuig Messenger, gelanceerd in 2004, draait in een baan rond de planeet en is sinds 2011 operationeel.

Messenger (NASA)

De polen kunnen vanop aarde waargenomen worden omdat het baanvlak van Mercurius 7° helt t.o.v. dat van de aarde. Na de ontdekking van die heldere radarreflecties was waterijs de favoriete verklaring.

Temperatuurkaart (Messenger): rood = zeer heet en blauw = ca. 50 K (-223 °C).

Hieronder staat dezelfde kaart maar nu is de diepte aangegeven, nodig om waterijs stabiel op te slaan. Het grijze gebied is té warm voor enig ijs.

(Messenger)NASA

De kraters zijn groot genoeg opdat het, door de naar de zon gerichte kraterwand, gereflecteerde zonlicht de in de schaduw gelegen plekken niet te zeer zou opwarmen.

De ligging van de kraters komt overeen met de heldere reflectiegebieden, gezien met radiotelescopen.

De neutronenspectrometer aan boord van de Messenger toonde een waterstofconcentratie aan overeenstemmend met waterijs, bedolven onder tientallen cm ander materiaal.

Ook de laserhoogtemeter kon de heldere radarplekken aan de polen bevestigen.

Nu blijkt dat het donkerder materiaal dat op het ijs ligt niet typisch is voor het regoliet op Mercurius. Spectrale metingen en temperatuurgegevens komen het best overeen met organisch rijk materiaal, aangetroffen in kometen en bepaalde meteorieten.

Zeer kort bij de noord- als de zuidpool is de temperatuur in diepe kraters zo laag dat puur ijs zonder beschermende laag voorkomt. Metingen van hiervan afkomstige neutronen geven dit aan.

Messenger (NASA)

 

Deel deze pagina

Reageer