Mens

Invloed op mensen 
Het aantal erkende effecten van onoordeelkundig lichtgebruik op de mens neemt steeds toe. Een aantal belangrijke effecten worden op deze pagina opgelijst.

Hormonale ontregeling 
Bij de mens heeft men vastgesteld dat er vaak slaapstoornissen optreden tengevolge van lichtvervuiling, wat dan weer tot depressies kan leiden. Licht stimuleert namelijk een bepaalde hormoonproductie in de alvleesklier die het slaapvermogen van de mens doet dalen. Het hormoon melanine zorgt deels voor de huidpigmentering. Ook vermindert licht de aanmaak van de lichaamsstof melatonine, die geproduceerd wordt door de alvleesklier in de hersenen. Deze stof veroorzaakt onder andere een regulerende werking van het oestrogeenhormoon, waardoor de vorming van tumors voorkomen wordt. Een mogelijk gevolg van een tekort aan deze stof is dus kanker. Een studie die in 1994 in het tijdschrift Harrowsmith werd gepubliceerd staaft deze theorie: lichtvervuiling is één van de cofactoren die borstkanker bevorderen.

Verder regelt melatonine onze slaap: in het donker wordt de productie ervan geactiveerd, waardoor men slaperig wordt: in de Verenigde Staten is melatonine verkrijgbaar op de farmaceutische markt, en wordt daar voorgeschreven aan mensen met slaapstoornissen. Het is aangetoond dat zelfs een klein streepje licht in de kamer effect heeft op de melatonineproductie, zelfs als de ogen gesloten zijn. Een lichtbron in de kamer, of licht dat van buiten de kamer naar binnen dringt, resulteert in een ongezonde slaapomgeving, zowel voor kinderen als volwassenen! 

Een duidelijk geval waar lichtinbraak gebeurd door de schijnwerpers van het aanpalende bedrijf.

 
Bijziendheid bij kinderen 
 Een onderzoek uitgevoerd in mei 1999 door het departement oftalmologie (oogkunde) van de universiteit in Pennsylvania, USA, heeft het over de gevolgen van nachtlichtjes voor jonge kinderen. Hoewel ontzettend veel ouders 's nachts een lampje laten branden zodat hun kind rustig kan inslapen, blijkt nu pas dat er hierdoor later een verhoogde kans is op bijziendheid. Bij bijziendheid wordt het beeld van het waargenomen object voor het netvlies gefocust in plaats van erop bij normale ogen. Een veel voorkomende oorzaak van bijziendheid is een te lange oogbal.

Wetenschappers hadden reeds gemerkt dat licht een invloed had op de groei van de oogballen van hoenders. Hieropvolgend werd het zicht van 479 kinderen tussen 2 en 16 jaar getest. Het onderzoek wees uit dat slechts 10% van de kinderen die in volledige duisternis hadden geslapen bijziend waren. Echter, 34% van de kinderen die met een nachtlampje sliepen hadden het probleem. En 55% van de kinderen waarvan het kamerlicht bleef branden, waren bijziend.

De wetenschappers besloten dus dat er een verband kon zijn tussen het gebruik van nachtlichtjes gedurende de eerste twee levensjaren en bijziendheid. Het echte bewijs is nog niet geleverd, maar de resultaten gaan toch sterk in die richting. Een artikel over het onderzoek, gepubliceerd in het prestigieuze wetenschappelijke tijdschrift Nature, raadde aan om geen nachtlichtjes meer te gebruiken. Ook vermeldde het tijdschrift dat verder onderzoek een noodzaak was.
 
Vals veiligheidsgevoel 
Een aspect dat zowel door de overheid als door de bevolking vaak als argument ten voordele van lichtpollutie wordt aangehaald, is de veiligheid. En uiteraard, het bestrijden van lichthinder en lichtvervuiling mag die veiligheid niet in gevaar brengen. Maar heel wat onderzoeken hebben echter aangetoond dat het meestal slechts om een gevoel van veiligheid gaat.

Een Europese studie, aangevraagd door verzekeringsmaatschappijen, publiceerde per land het aantal doden per 10.000 voertuigen en leverde volgende resultaten. In Denemarken, één van de minst verlichte landen in Europa, telde men op één jaar 59 doden. Frankrijk, waar men enkel in steden en op- en afritten verlicht, telde 83 slachtoffers per jaar. België, met veel verlichting, telde maar liefst 203 doden! Het moet natuurlijk gezegd dat Belgie een van de dichtst bevolkte landen ter wereld is, maar ook in Belgie zelf toonde een onderzoek van dokter Luc Beaucourt van de afdeling spoedopname van het UIA-ziekenhuis in Antwerpen aan dat er geen verband kan worden vastgesteld tussen meer ongevallen en minder verlichting.

Hoe kan men deze schijnbaar paradoxale situatie verklaren? Er zijn een aantal duidelijke redenen. Het is bewezen dat men onvoorzichtiger wordt wanneer de weg beter verlicht is. De bestuurder denkt immers dat men een gevaar snel genoeg zal opmerken wanneer de weg baadt in het licht. Hoewel dit in sommige gevallen waar is, moet men ook het volgende in acht nemen: wanneer de hindernis overstraald wordt door verlichting, wordt het juist moeilijker om de afstand en omvang ervan in te schatten.
Waarschuwingssignalisatie valt minder snel op. Zo gebeuren heel wat ongevallen achteraan een file, waar een auto of vrachtwagen niet snel genoeg merkte dat er iets aan de hand was en hierdoor niet tijdig kon remmen. Verlichting overstraalt vaak ook de koplampen van auto's, waardoor tegenliggers pas op het laatste moment worden opgemerkt. Bij een inhalings-maneuver of wanneer er een spookrijder op de baan rijdt kan dit nefaste gevolgen hebben. En een auto die in een ongeval dan toch van de baan gaat heeft in Belgie dan ook nog eens het grote gevaar dat er een lantaarnpaal in de berm staat, die tegen hoge snelheden een dodelijke impact kan veroorzaken.
 
Criminaliteit 
Velen denken ook dat (overdadige) verlichting, bijvoorbeeld in de tuin of op het industrieterrein, inbrekers zal afschrikken. Deze veronderstelling is echter onjuist, zo tonen verscheidene projecten en onderzoeken aan.
Fel verlichte wijken worden vaker getroffen door inbraak en vandalisme dan andere wijken. Dit lijkt misschien opnieuw een situatie die haaks staat op wat men zou verwachten. Men zou immers eerder aannemen dat licht dieven afschrikt dan aantrekt. Er is echter wederom een logische verklaring. Wanneer het gebouw de hele nacht door verlicht wordt, valt het bijna niet meer op dat er iemand naar het gebouw toe loopt. Daarentegen, als het gebouw onverlicht is, maar plots springt er een -naar beneden gerichte- spot aan die werd aangeschakeld door een bewegingsmelder, wordt de aandacht van omwonenden onmiddellijk getrokken. Natuurlijk moet deze melder niet te gevoelig staan, een spot die bij elke windvlaag of langsgaande kat aanspringt zal al snel genegeerd worden. Geen enkele verlichtingsinstallatie kan trouwens het voordeel van sociale controle ook maar benaderen.

In deze gevallen heeft de verlichting niet bijgedragen tot extra veiligheid.

Ook totaal onverlichte gebouwen staan 'vijandelijker' tegenover onverlaten dan men op het eerste zicht zou denken. Het is veel handiger voor de inbreker om beide handen vrij te hebben. Het voortdurend gebruik van een zaklamp, waarvan het schijnsel ook de aandacht kan trekken, is veel lastiger. Hetzelfde geldt trouwens ook voor het parkeren van auto's onder een straatlamp. "Wie zou er nu immers in zo'n licht een auto stelen?"

Men kan dus besluiten dat licht wel het gevoel van veiligheid versterkt, maar dat de veiligheid zelf er niet beter door wordt. Meer licht neemt niet altijd de onveiligheid weg maar enkel de vrees. Het is waar dat licht soms het waarnemingsvermogen verhoogt, maar men vergeet vaak dat het ook het waarnemingsvermogen van de dader verhoogt. Neem daarbij nog dat de meeste daders het liefst hun slachtoffer of misdaad kunnen zien en men komt tot het besef dat plaatsen die goed verlicht zijn zelfs de misdaad in de hand kunnen werken. Een verdacht persoon kan zich steeds verbergen in een duister hoekje, terwijl de omgeving fel verlicht is: door het contrastverschil kan je deze persoon nauwelijks opmerken, terwijl hij een voorbijganger juist wel makkelijk kan observeren.

Enige voorbeelden: de laatste jaren schakelen steeds meer Amerikaanse campussen de verlichting op de campussen uit wat tot een afname van de inbraken en geweldmisdrijven leidt. Uit een onderzoek van het Ministerie van Justitie in de Verenigde Staten waarin dieven geinterviewd werden, bleek dat ze licht juist wel handig vinden; dan hebben ze geen zaklantaarn nodig en vallen ze minder op. De lampen gestuurd door een bewegingsmelder zijn voor hen veel meer afschrikwekkend. Auckland, een stad in Nieuw-Zeeland van 1,2 miljoen inwoners heeft gedurende een aantal weken in 1999 een uitval van de elektriciteit meegemaakt. De verwachte chaos bleef uit. Na 19 nachten zonder openbare verlichting meldt Inspector John Mitchell van de lokale politie: "Zelfs de misdadigers hebben de donkere straten van de binnenstad van Auckland verlaten. Het is een bijna misdaad-vrije zone, het normale niveau van berovingen en inbraken wordt bij lange na niet gehaald". De idee dat met (meer) licht de veiligheid automatisch verhoogd wordt is een fabel.

Economie 
De overdadige verlichting zorgt ook voor een enorme geldverspilling. Volgens MIRA-T 2001 kan een besparing van maar liefst 59% van het jaarverbruik van de openbare verlichting gerealiseerd worden door een vermindering van die verlichting, in combinatie met het gebruik van zuiniger lampen. Deze besparing zou jaarlijks ongeveer 15,5 miljoen euro kunnen bedragen! Ook in de industrie en landbouw gaat zo veel geld verloren, dat nuttiger zou kunnen besteed worden. Concrete cijfergegevens omtrent zijn te vinden in MIRA-T. Zo bedroeg in 2001 het totaal elektriciteitsgebruik voor openbare verlichting in de sector verkeer en vervoer 480 GWh, of ongeveer 24 miljoen EUR (in de veronderstelling van 0.05 EUR/kWh). Reken als gemiddelde branduren 19h tot 7h (dus 12h), en doof dan deze verlichting elke nacht van 23h30 tot 5h30 (6h), dan halveert men deze prijs. Natuurlijk kan niet overal de verlichting gedoofd worden (gevaarlijke kruispunten, op- en afritten, ... blijven best verlicht - zij het op een milieuvriendelijke wijze en met een minimum aan lichtvervuiling), maar ook andere sectoren kunnen aanzienlijke besparingen bekomen.

Vaak wordt aangehaald dat straatverlichting 's nachts nodig is om het overschot aan elektriciteit die onze kern- en andere elektriciteitscentrales produceren op te vangen, dit is echter verkeerd. Onze centrales werken steeds met een overschot van ongeveer 30% (mededeling Electrabel n.a.v. de hittegolf in augustus 2003), ook overdag. Veel beter zou men dit overschot verkopen aan het buitenland, of gewoon minder produceren - en dus ook minder vervuilen.

Maatschappelijke evolutie

De Vlaamse gemeenschap heeft reeds drie keer een Schriftelijke Leefomgevings Onderzoek (SLO) georganiseerd. Dit is een grootschalige enquête naar het hindergevoel van burgers rond geluid, geur en licht. De laatste editie dateert van 2008, andere bevragingen werden gehouden in 2004 en 2001. De bedoeling van dergelijke enquête is het opsporen van tendensen en toename of afname rond hinder vast te stellen.  De studie toont een representatief beeld voor Vlaanderen. De resultaten werden gewonen naar geslacht, leeftijd, provincie en opleidingsniveau.

Wat betreft lichthinder zijn gemiddeld 5% van de Vlamingen ernstig gehinderd en 17% van de Vlamingen gehinderd door licht. In vergelijking met vorige SLO's is dit een lichte stijging. Als grootste hinderbron komt het verkeer naar boven, gevolgd door handel en industrie. UIt de antwoorden is ook duidelijk merkbaar dat meer en meer mensen voorstander zijn om verlichting s'nachts te doven en of te dimmen. Maar 36% van de mensen is van mening dat de wegen s'nachts altijd verlicht moeten zijn. Dit is een duidelijke daling tegenover 2004.  Er is dus meer en meer een maatschappelijke evolutie aan de gang om minder energie te verkwisten en bijgevolg op een doelmatige manier te gaan verlichten waar en wanneer nodig.

Verdere lectuur: